1. Bepalen van de locatie
De infiltratiekratten worden altijd op veilige afstand van funderingen geplaatst, meestal minimaal 2 tot 5 meter. Daarnaast wordt gekeken naar:
- de diepte van de grondwaterstand
- aanwezigheid van kabels en leidingen
- de tuinindeling
- waar het hoogteverschil logisch afloopt
Idealiter liggen de kratten iets lager dan de regenpijpaansluiting, zodat het water vrij kan instromen.
2. Uitgraven van een sleuf of put
De diepte bedraagt normaal 60–100 cm. Bij grote systemen wordt een brede sleuf gemaakt waarin meerdere kratten naast elkaar worden geplaatst.
De bodem van de sleuf moet:
- vlak zijn
- stabiel zijn
- vrij zijn van scherpe voorwerpen
Vaak wordt extra ruimte gegraven zodat rondom de kratten een grindpakket kan worden aangebracht.
3. Aanbrengen van een grindfundering
Onder de kratten komt een laag gewassen drainagegrind (8/16 of 16/32).
Dit zorgt voor:
- een stabiele ondergrond
- goede waterafvoer rondom de kratten
- bescherming van het geotextiel
Afhankelijk van de situatie wordt 10–15 cm grind aangebracht.
4. Plaatsen en koppelen van de infiltratiekratten
De kratten worden opgebouwd (veel systemen bestaan uit klikmodules) en strak tegen elkaar geplaatst. Ze worden horizontaal uitgelijnd en gekoppeld zodat het geheel één stevig blok vormt.
Bij grotere systemen worden inspectiekanalen geïntegreerd, zodat de doorstroming te controleren blijft.
5. Omwikkelen met geotextiel
Het volledige kratpakket wordt omhuld met waterdoorlatend geotextiel.
Dit is cruciaal: het voorkomt dat zand of aarde de kratten binnendringt.
Er wordt vaak gebruikgemaakt van:
- niet-geweven geotextiel
- 100–150 g/m²
- overlappende naden die mechanisch worden bevestigd
6. Aansluiten van leidingen en filter
Via een PVC- of PP-buis wordt het water vanuit de regenpijp naar de kratten geleid.
Tussen de regenpijp en de kratten wordt altijd een filter geplaatst:
- bladfilter
- zandvanger
- of een regenwatersysteem met filter zoals JustNimbus
Dit verlengt de levensduur van het infiltratiesysteem aanzienlijk.
7. Aanbrengen van een overstort
Een overstort is een noodzakelijk onderdeel van elk infiltratiesysteem. Het zorgt ervoor dat regenwater tijdens extreem zware buien altijd een veilige weg naar buiten heeft, ook wanneer de infiltratiekratten tijdelijk vol zitten. Dat betekent níet dat water ongecontroleerd door je tuin gaat lopen, maar dat het wordt afgevoerd naar een vooraf gekozen, gecontroleerde plek.
Een overstort kan worden aangesloten op:
- een grindkoffer (extra tijdelijke berging die langzaam infiltreert)
- een wadi (een verlaagd groenvak dat water opvangt en infiltratie verder ondersteunt)
- een sloot of regenwaterafvoer (indien toegestaan door de gemeente)
- een open deel van de tuin dat bewust is ingericht om water tijdelijk te bergen zonder overlast
De overstort wordt altijd lager gelegd dan de rest van het systeem, zodat water vanzelf die kant op stroomt als de kratten vol zitten. Hierdoor voorkom je dat water zich ophoopt bij de woning, oprit, terras of kruipruimte. Met een goed ontworpen overstort blijft de tuin bij piekbuien droog en wordt het regenwater op een verantwoorde manier afgevoerd of tijdelijk opgeslagen, precies op de plek die daarvoor bedoeld is.
8. Terugvullen en afwerken
Na het aansluiten wordt de sleuf rondom en boven de kratten gevuld met:
- grind (direct rond de kratten)
- zand of tuinaarde (bovenlaag)
Afhankelijk van het type krat kan er bovenop gazon, border, bestrating of opritworden aangebracht.
Hiermee is het systeem volledig onzichtbaar en functioneert het zonder dat je er in het dagelijks gebruik iets van merkt. Er zijn in Nederland diverse gespecialiseerde bedrijven, grondwerkers en hoveniers die ervaring hebben met het aanleggen van infiltratiekratten, het maken van berekeningen en het correct afwerken van het systeem in de tuin. Omdat elke bodem, tuin en woning anders is, is het verstandig om je vooraf goed te laten adviseren. Neem vrijblijvend contact met ons op voor persoonlijk advies of hulp bij het kiezen en aanleggen van het juiste infiltratiesysteem.